De verantwoordelijkheid voor het ruimtelijke ordeningsbeleid valt onder de directeur-generaal Ruimtelijke Ordening. In art. 52 Wet op de Ruimtelijke Ordening zijn de taken van de Rijksplanologische Dienst (RPD) neergelegd. Tot de taken van de RPD behoort o.a. het werkzaam zijn ten behoeve van het algemene toezicht op de naleving van de WRO en de krachtens deze wet gegeven voorschriften. Art. 30 d van het Besluit op de ruimtelijke ordening bepaalt dat het toezicht wordt uitgevoerd door de inspecteurs van de Ruimtelijke Ordening. Inspecteurs van de ruimtelijke ordening nemen actie in geval van een algemeen categorisch misbruik van een bepaald wetsartikel, bijv. art. 17 en 18 WRO (het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan) alsook een categorisch handelen in strijd met de wet door een bepaalde gemeente en verkeerd gebruik van de wet ten behoeve van een activiteit die ook inhoudelijk in strijd is met duidelijke en harde normen in het nationaal ruimtelijk beleid. Bij het ondernemen van actie moet worden gedacht aan het (laten) instellen van nader onderzoek naar de handelwijze van de betreffende gemeente, het organiseren van politieke en bestuurlijke druk en het waar mogelijk voeren van juridische procedures tegen met de wet strijdige handelingen of activiteiten.
|